Graszoden Soorten

Indien u graszoden wil laten leggen, bezorgen of kopen heeft u vaak de keuze uit drie soorten graszoden:

  • Speelgraszoden
  • Siergraszoden
  • Sportveldengraszoden

Gazongrassoorten

De drie bovenstaande graszodensoorten zijn gekweekt met verschillende soorten graszaad.
Hieronder ziet u een beschrijving van de meest voorkomende graszadensoorten.

Gewoon struisgras (Agrostis tenuis) is een heel lage, polvormende grassoort met korte wortelstokken. Struisgrassen (Agrostis-soorten) verdragen van alle grassen kort maaien het best. Daarom zit gewoon struisgras in de meest fijne gazonmengsels. Het past zich aan de meeste omstandigheden aan, zelfs aan zure grond die vrij droog is. U kunt het kort maaien (tot 2 cm).

Fioringras (Agrostis stolonifera) is een soort die uitlopers vormt en soms wordt gebruikt in grasmengsels voor speelvelden op vrij zware, alkalische grond. Het is een ondiep wortelend gras dat slecht droogte verdraagt.

Rood zwenkgras (Festuca rubra ssp.commutata) is een zeer lage, polvormende grassoort die goed op arme grond groeit. Het kan op 2 cm worden gemaaid.

Kruipend rood zwenkgras (Festucarubra ssp. rubra) is een sterke grassoort die uitlopers vormt en natte, droge en koude omstandigheden goed verdraagt. Kort maaien verdracht het minder goed dan de vorige soort. De vorm Festuca rubra ssp. Littoralis verdraagt kort maaien beter.

Straatgras (Poa annua) is een pol vormend, eenjarig of kort levend onkruidgras, dat spontaan in veel gazons opschiet. Het zaait zichzelf volop uit en is nuttig in grasvelden die sterk worden betreden.

Kamgras (Cynosurus cristatus) heeft een pol vormende, vrij kleine groeivorm. Het wordt soms toegepast in fijne gazonmengsels, maar het past zich niet goed bij andere soorten aan. Niet korter maaien dan 4 cm.

Engels raaigras ( Lolium perenne) is een breedbladige soort die losse pollen vormt en op vrijwel elke grondsoort goed groeit. Het is bijzonder geschikt voor zwaardere grondsoorten en zeer sterk. Niet korter maaien dan 3 á 4 cm, anders gaat het achteruit. Sommige nieuwere rassen zijn dichter en verdragen kort maaien beter.

Beemdgras (Poa pratensis) groeit pol vormend met dunne, kruipende wortelstokken. Het is taai en sterk, maar heeft vrij veel tijd nodig om goed aan te slaan. Beemdgras houdt niet van natte, zware of zure grond. Niet korter dan 4 cm maaien.

Ruw beemdgras (Poa trivialis) vormt losse pollen met korte, kruipende uitlopers. Het is beter voor natte, zware grond dan Poa pratensis, maar kan slechter tegen betreden en is niet geschikt voor fijne gazons. Niet korter maaien dan 4 cm.

Doddegras (Phleum-soorten) en die er sterk op lijkende vossenstaart (Alopecurus pratensis) zijn pol vormend met aan de basis gezwollen knopen en soms uitlopers. Ze zijn sterk en de meeste zijn geschikt voor natte, zware grond, Phleum bertolonii vooral voor kalkrijke grond. Niet korter maaien dan 3 cm.

Gras voor schaduwplekken moet aan de bijzondere eisen die zo\'n plek stelt, voldoen. Tegenwoordig zijn er uitstekende graszaadmengsels te koop die vrij snel schaduw verdragen en door hun samenstelling zowel in zon als schaduw willen groeien. Het grote voordeel daarvan is dat de kleur van het gras dan ook gelijk in zon en schaduw is. Vroeger moest op zo\'n moeilijke schaduwplek vaak ander gras worden gezaaid, wat altijd duidelijk zichtbaar was.

Pol vormend en zodevormend grassoorten Links de groeiwijze van een pol vormende soort en midden en rechts uitbreidende, zodevormende soorten gras. Een goed gazonmengsel bestaat uit soorten van beide typen. Er zijn zodevormende soorten die hun liggende stengels boven de grond maken en andere die zich vanuit wortels verbreiden. Bij gras groeit het blad van onderaf steeds weer aan. Bij de tweezaadlobbige planten groeit een stuk blad dat is afgemaaid of afgevreten niet meer aan, bij de eenzaadlobbige planten (grassen) gebeurt dat wel. De afgesneden top blijft verminkt, maar het blad wordt van onderaf weer verlengd tot het aan de soort eigen maat heeft. Het is dus niet zo dat gras blad onbeperkt doorgroeit. Vandaar dat gras zo\'n geweldige voedselplant voor veel dieren is. Na iedere begrazing groeit het gewoon weer aan.

Het kiemverschil tussen één- en tweezaadlobbige planten. Links de ontwikkeling van een tweezaadlobbige erwt, rechts een eenzaadlobbige gras. Bij beide wordt eerst een worteltje gevormd dat naar beneden groeit. Daarna verschijnt bij een tweezaadlobbige plant een stengeltje met twee zaadlobben, gevolgd door twee kiemblaadjes. Bij de eenzaadlobbige grassen verschijnt ook één stengeltje, maar daar zit de zaadlob als een soort schede omheen en er wordt één kiemblad gevormd.

De centrale groeispruit in ieder grasplantje is het meest kwetsbare deel van de plant. Als deze zwaar wordt aangetast, moet er vanuit de wortels weer een nieuwe groeispruit worden gevormd, wat de plant veel extra energie kost. Het gazon wordt om die reden zwakker van te kort maaien.